Bij Architectuurwijzer hebben we het geluk om voor onze tentoonstellingen samen te werken met een brede waaier aan ontwerpers, kunstenaars en onderzoekers. In de blogreeks Makers van de expo zetten we die getalenteerde mensen en hun werk in de kijker. Deze keer is het de beurt aan Kristof Ribus, kunstenaar en architect, die voor de tweede akte van de tentoonstelling Hasselt Torenhoog de dialoog aanging met de foto’s van Sepideh Farvardin. In woord en beeld onderzoekt hij waarvoor torens staan, hoe ze ontstaan en verdwijnen, en welke verhalen of spanningen ze dragen. “Een toren is voor mij niet alleen een gebouw,” zegt hij, “maar ook een gelaagde figuur: hij kijkt, hij bewaart, hij verzwijgt.”
Kristof Ribus combineert twee werelden die elkaar voortdurend beïnvloeden. Hij studeerde architectuur aan de Provinciale Hogeschool Limburg – nu Universiteit Hasselt – en werkte nadien bij verschillende ontwerpbureaus, waaronder het Hasseltse a2o architecten. Vandaag is hij actief bij AG Stadsontwikkeling Leuven, waar hij zich richt op betaalbaar wonen. Parallel bouwde hij aan een autonome artistieke praktijk waarin tekenen, schrijven en observeren centraal staan. “Ik heb altijd getekend,” vertelt hij. “Maar pas toen ik minder uren achter de computer zat, kon ik echt een dagelijks ritueel ontwikkelen. Tekenen en schrijven zijn mijn manier geworden om de wereld te bevragen.”
Dagelijks tekenen als ritueel en denkinstrument
De overstap weg van de klassieke bureaupraktijk bracht niet alleen een andere professionele context, maar ook ademruimte. Ribus voelde dat er “net wat meer tijd en ruimte in mijn hoofd” kwam om opnieuw creatief te werken. Die creativiteit vond een heel concrete uitweg in tekenen en schrijven, twee praktijken die bij hem in elkaar schuiven. “Taal is voor mij onlosmakelijk verbonden met mijn tekenen. En tegelijkertijd is mijn tekenen ook schrijven – dat werkt in twee richtingen.” Het is voor Ribus geen nevenpraktijk, maar een volwaardige tweede manier van architect zijn: minder planmatig, meer tastend, meer luisterend naar wat zich onderweg aandient. Dat dagelijkse tekenen werd gaandeweg een discipline, bijna een ritueel.
Ribus vertelt hoe het echt op gang kwam na een tekenstage in Frankrijk, waar hij drie opdrachten meekreeg: “hoe de dingen overlappen”, “voorstudie bestaat niet” en “elke dag tekenen”. “Dit laatste vond ik in het begin een onmogelijke opgave,” vertelt Ribus. “Wanneer heb je daar tijd voor, wat ga ik elke dag tekenen?” Maar precies door het te doen, veranderde de lat: niet elke dag een ‘mooie tekening’, wel elke dag aandacht. Intussen tekent hij in schriften die de ruggengraat vormen van zijn beeldend werk; ze stapelen zich op tot een doorlopende reeks — hij zit ondertussen aan nummer 30. Het zijn plekken waar observaties, taalflarden en beelden elkaar kruisen, en waar de architect langzaam de tekenaar en schrijver wordt, zonder dat die eerste ooit helemaal verdwijnt.
Voorstudie bestaat niet en het idee van overlapping
Ribus hamert in zijn werk op het belang van het analoge: de fysieke handeling, het toeval van een lijn, de weerstand van papier. Die houding werd scherper na zijn stage in Frankrijk waar naast het dagelijkse tekenen ook het eenvoudige principe “voorstudie bestaat niet” zijn praktijk begon te sturen. Niet omdat voorbereiding onzin is, maar omdat het werk pas echt begint wanneer je tekent. “Ik heb dat echt nodig: het geluid van potlood op papier, dat schuren… dat maakt dat ik kan denken en voelen,” zegt hij. Tekenen vertrekt bij hem dus niet vanuit een vooraf bedachte compositie, maar vanuit wat zich aandient: een woord, een beeld, een indruk. Het is precies in die frictie tussen kijken en doen, tussen bedoeling en verrassing, dat zijn werk vorm krijgt.

Het derde principe uit de tekenstage — het idee van overlapping — volgt daar logisch uit. Voor Ribus hoeven dingen niet netjes gescheiden te blijven: ze mogen elkaar kruisen, bedekken, tegenspreken. “Hoe de dingen overlappen: dat is voor mij een manier om naar de wereld te kijken,” zegt hij. In zijn schetsboeken zie je dat letterlijk: lijnen schuiven over woorden, beelden duiken half op uit zinnen, motieven keren terug zonder ooit exact hetzelfde te zijn. Maar ook inhoudelijk is overlapping belangrijk: ze laat meerdere betekenissen tegelijk bestaan, zonder dat één interpretatie alles dichttimmert. Zijn tekeningen blijven daardoor open en gelaagd, alsof ze liever vragen oproepen dan antwoorden geven.
Een poëtische tweede akte voor Hasselt Torenhoog
Ribus gunt zichzelf als kunstenaar een grote vrijheid: hij vertrekt liefst zonder plan, laat beelden ontstaan uit toeval en associatie, en vertrouwt op wat zich onderweg aandient. Net daarom was de vraag van Architectuurwijzer voor Hasselt Torenhoog – Akte II tegelijk spannend en logisch. “Het was werk in opdracht,” zegt hij, “maar ik heb vooral gevoeld dat ik vertrouwen kreeg om mijn eigen weg te gaan.” Waar fotografe Sepideh Farvardin de Hasseltse torens in hun stedelijke context documenteert, herkadreert Ribus de beelden vanuit een meer persoonlijke, poëtische logica. Hij wilde niet verklaren wat een toren is, maar onderzoeken wat een toren kan oproepen: macht, ritueel, herinnering, maar evengoed twijfel en spanning.
Die vrijheid vertaalt zich ook in zijn methode. Ribus vertrok vanuit de bouwkundige anatomie van een toren — basis, lijf en spits — en gebruikte die driedeling als een intuïtief schema om beelden en woorden aan op te hangen. “Dat helpt mij om te kijken,” legt hij uit, “om zones te herkennen waar iets gebeurt.” In plaats van één sluitende interpretatie te geven, bouwde hij een reeks tekeningen en tekstfragmenten op die Farvardins foto’s openbreken en laten verschuiven. Soms is dat heel concreet — een lijn die een contour volgt, een detail dat uitvergroot wordt — soms associatief, alsof de toren even een personage wordt. “Ik wil tonen dat torens ook mentale ruimtes kunnen zijn,” zegt hij, “plaatsen waar je iets bij voelt, niet alleen iets over weet.”
Van de basis naar de spits
Een opvallend element in de opstelling van Kristof Ribus is een glazen vitrine met een reeks kleine, ogenschijnlijk banale vondsten. Het zijn stukjes metaal, hout, fragmenten, restanten die hij opraapte aan de voet van de vijf Hasseltse torens. Met de expo-opdracht in het achterhoofd vulde Ribus zijn zak met wat normaal onzichtbaar blijft. Net die verzameling werd voor hem een manier om de torens niet alleen rationeel of historisch te benaderen, maar ook via wat je er letterlijk en figuurlijk “tegenkomt”. In de vitrine lijken de objecten een dataverzameling, maar ze zijn voor Ribus juist een tegengewicht voor de obsessie met data: een pleidooi om ook toeval en gevoel als kennis te erkennen in het gesprek over jong erfgoed.

Vanuit die tastbare onderlaag klimt Ribus omhoog naar de taal. In het gedicht dat hij voor Hasselt Torenhoog schreef, zitten alle vijf torens subtiel vervlochten, als echo’s in ritme, klank en betekenis. De herhalingen — “zoals huizen huizen / gebouwen bouwen / torenen torens” — ogen licht en bijna speels, maar openen tegelijk een bredere horizon. Torens verschijnen als klokkenluiders en bakens, als plekken die “binnenkomen” in een stad én in een hoofd. Ribus vertelt dat hij torens graag benadert “als mensen”: gelaagd, veranderlijk, soms tegenstrijdig. Precies daardoor is het gedicht meer dan een taalspel: in weinig woorden legt het vast hoe torens zowel ritme geven aan het stadsbeeld als spanning en geheugen dragen wanneer functies verschuiven of verdwijnen.
Torens zijn horizon / taal
Bij de dichter Kristof Ribus zit de gelaagdheid zelfs in de leestekens. Op papier lijkt de slotregel van het gedicht — “begijntjes en kwezeltjes torenen, niet?” — een terloopse observatie. Maar de komma en het vraagteken verschuiven de zin richting ironie én openheid tegelijk. Zonder die leestekens lees je het als een milde kritiek op de nieuwe panoramatoren in het Begijnhof; mét die leestekens wordt het een uitnodiging om de spanning rond dat debat niet dicht te timmeren, maar net zichtbaar te houden. “Ik wilde mijn gedicht bewust niet eindigen met een uitroepteken of een punt: het moest een opening blijven, geen oordeel,” vertelt Ribus. Alsof hij, in “torentaal”, toont hoe snel zo’n gesprek kan worden “op de spits gedreven” — en hoe belangrijk het is om die spits niet af te sluiten, maar terug te geven aan de lezer en de kijker.

Dat open debat waar Kristof Ribus in zijn gedicht en tekeningen ruimte voor laat, onderstreept waarom zijn bijdrage zo goed past bij Hasselt Torenhoog én bij het bredere opzet van Architectuurwijzer om erfgoed open, gelaagd en herleesbaar te benaderen. Ribus koppelt die houding in het gesprek meteen aan de emotionele laag van behoud: slopen is nooit alleen materiaalverlies, maar ook het verdwijnen van herinneringen en verhalen — gebouwen zijn, zoals hij het noemt, “mentale archieven”. Het vat ook mooi samen wat hij in een van zijn tekeningen noteert: “Torens zijn horizon / taal.” Torens tekenen niet alleen de skyline af; ze vormen ook de woorden en verhalen waarmee een stad over zichzelf blijft spreken — zolang we ze de kans geven om te blijven staan.
Voor wie ook thuis wil genieten van de kunst van Kristof Ribus, heeft Architectuurwijzer een set postkaarten uitgegeven met vijf tekeningen uit Akte II. Je vindt ze bij de tentoonstelling en krijgt ze mee als bedankje bij een vrije gift ter ondersteuning van Architectuurwijzer. Daarnaast zijn ook de originele, ingekaderde tekeningen uit Hasselt Torenhoog te koop. Alle praktische info vind je op de pagina Hasselt Torenhoog bij je thuis.
Tekeningen Kristof Ribus
Foto’s Amélie Lammens & Lieve Drooghmans
Tekst Bertrand Lafontaine