Le Logis Floréal
Lieve Drooghmans 3rd May 2021

Pas toen de Brusselse Trammaatschappij in de jaren 1950 actief reclame maakte voor de in bloei staande Japanse kerselaars van Le Logis Floréal, besefte architect Jean-Jules Eggericx de omvang van het succes van zijn tuinwijken.

 

 

De huurderscoöperaties ‘Le Logis’ en ‘Floréal’ worden in respectievelijk 1921 en ‘22 opgericht door de bedienden van de Spaar- en Lijfrentekas en arbeiders van de krant Le Peuple. Ze doen een beroep op architect Jean-Jules Eggericx, die verbonden is aan de Nationale Maatschappij voor Goedkope Woningen en Woonvertrekken. Hij vraagt op zijn beurt aan Louis Van der Swaelmen om het stedenbouwkundige plan te maken.

 

Wandelend door het glooiende landschap wijst Van der Swaelmen de plaatsen aan waar de huizen moeten komen. Door de afwisseling van perspectief, ankerpunten, reliëf, bebouwing en groen ontstaat er een organisch en schilderachtig geheel. De verschillende buurten, gebouwd in verschillende fasen, zijn dan eens vierkant, dan eens driehoekig, waaier- of trechtervormig van structuur. Op de hoogst gelegen plaatsen zijn er rotondes met daaraan hoge appartementsgebouwen. Zij zijn de natuurlijk herkennings- en verzamelpunten in de wijk en vormen het functionele en sociale centrum.

 

 

De Aartshertogenlaan, met Le Fer à Cheval als eerste woontoren van Brussel, vormt de scheiding tussen de twee coöperaties. De wijk Floréal, ten noorden, heeft veel reliëf waardoor er op natuurlijke wijze een grote afwisseling ontstaat. Terwijl er in Le Logis meer structuur en hiërarchie is aangebracht om diezelfde diversiteit te verkrijgen. Natuurlijk valt het verschil in de kleur van het schrijnwerk en de brievenbussen het meest op. Groen voor de Logis en geel voor Floréal.

Er is een duidelijke hiërarchie in straten. Zo zijn er een beperkt aantal hoofdstraten die de wijk met de rest van de stad verbinden. De groene woonstraten hebben een gebogen, bochtig of hoekig verloop en een duidelijke onderverdeling in auto- en voetverkeer. In het hart van elke buurt is er een groen park of plein. Achter de huizen door loopt een netwerk van paden en stegen, afgewisseld met collectieve speelweiden, boomgaarden en bleekweiden. De niveauverschillen worden opgevangen door trappen, keermuren en terrastuinen. Deze voor de gemeenschap bedoelde voorzieningen worden opgegeven in de latere bouwfasen omdat ze niet meer stroken met het koele en zakelijke principe van maximale opbrengst.

 

 

Architectuur & landschap

In tegenstelling tot de radicaal moderne vormentaal in bijvoorbeeld Cité Moderne kiest Eggericx voor de klassieke eengezinswoning met hellend dak en rokende schoorsteen als archetypische bouwsteen voor zijn tuinwijken. Op basis van een maximum vloeroppervlak per aantal gezinsleden worden verschillende grondplannen ontworpen. De huizen waren eenvoudig maar heel verzorgd. Sommigen hadden zelfs een badkamer, een ongekende luxe voor gewone mensen in die tijd. 

Eens de basisplannen vastlagen kon er vrij gevarieerd worden in positie en schakeling: alleen, met twee of in rij aan elkaar en beëindigd door kop- of hoekhuizen. Het zijn echter de ‘secundaire’ elementen die het meest bijdragen aan het karakter en uitzicht van de huizen. Door verschillende materialen, kleuren schrijnwerk, dakvormen en -kappellen, deuren, luiken, vensters (afmeting, plaats, roedes, …) en luifels toe te passen ontstaat er een grote verscheidenheid zonder dat er geraakt wordt aan het geheel.

 

 

Dat streven naar diversiteit was één ding, het beheersen van de kosten om goedkoop te kunnen bouwen een ander. Niet alleen speelden standaardisatie, rationele grondplannen en technische vernieuwing (o.a. door de toepassing van zelfdragend schrijnwerk) een grote rol, ook werd er op de site zelf een eigen steenfabriek opgericht. De grond ter plaatse was prima geschikt om baksteen van te maken. Helaas bleek die niet van voldoende kwaliteit om ook als gevelsteen te kunnen dienen, vandaar dat de huizen zijn afgewerkt met de zo typische ruwe grijze pleister. 

De overal aanwezige natuur vormt het organische en structureerde bindmiddel. Naast de honderden Japanse kerselaars waardoor Le Logis Floréal bij het brede publiek bekend werd, zijn er ook tientallen kilometers haag die de voetpaden omzomen, hectaren grasvelden, monumentale (sier)bomen, duizenden verschillende planten en talrijke kleine fruitboomgaarden. Bijzonder opvallend zijn de niet-omheinde maar rijkelijk beplante voortuinstroken die een vloeiende overgang vormen tussen openbaar en privé.

 

 

Vandaag

Sinds 2001 is de gehele tuinwijk beschermd als monument. Ondanks de wijzigingen in de wetgeving en de financiering van sociale huisvesting in Brussel opereert Le Logis-Floréal nog steeds als een huurderscoöperatie. Volgens het charter verklaren de leden-huurders zich vrijwillig aan coöperatieve waarden te houden, zoals democratie van het beheer, solidariteit door samenwerking en deelname aan de algemene vergadering. Zij stellen dat de bewoners zich niet moeten gedragen als huurder maar als coöperant die participeert in de algemene vergaderingen van de vennootschap, die bijdraagt aan de verbetering van zijn huisvesting en die deelneemt aan het gemeenschapsleven in de wijk. 

Deze uitgangsprincipes maken het verschil met de klassieke sociale huisvestingsprojecten waar bewoners slechts huurders zijn. Het geslaagde behoud van de architectuur en het landschap van de wijk is wellicht te danken aan een combinatie van de bescherming vanuit erfgoed en het coöperatieve beheer van de wijk. Het is bijvoorbeeld niet toegestaan om wijzigingen aan de woning aan te brengen, in het bijzonder aan de kleur van het schrijnwerk. Er is een rijk gemeenschapsleven, met bewoners die samen activiteiten organiseren. Bewoners tuinieren ook samen en er worden schapen gehouden op een centraal gelegen bouwgrond.

Joep Gosen

08/04/2021

Le Logis Floréal

Programma  Coöperatieve woonwijk met 1.735 woningen, school & sociaal-cultureel centrum
Locatie  Drie Linden Watermaal-Bosvoorde, Brussel
Opdrachtgever  SCL Le Logis-Floréal
Stedenbouwkundige  Louis Van der Swaelmen
Architecten  J.-J. Eggericx, R. Goffaux, J.-G. Eggericx, R. Moenart, L. François, G. Vankerckhoven, J. Mouton
Oppervlakte  Le Logis ca. 60 ha, Floréal ca. 20 ha
Bouwperiode  1921 – 1974

Foto’s  www.lelogisfloreal.be, Joep Gosen, Glenn Lyppens, Peggy Totté

Bronnen & links

Publicatie Erfgoed Brussel: ‘Brussel, stad van kunst en geschiedenis – De tuinwijken Le Logis en Floréal’, Laure Eggerix & Yves Hanosset, 2003
Publicatie Erfgoed Brussel: ‘Modern en eigentijds Brussel – de 20ste eeuw’, Eric Hennaut e.a., 2013
www.lelogisfloreal.be
erfgoed.brussels/ontdekken/publicaties/brussel-stad-van-kunst-en-geschiedenis/de-tuinwijken-le-logis-en-floreal