Vlaamse begijnhoven, tussen afgesloten woonenclaves en groene stadskamers
Lieve Drooghmans 13th December 2018

Met de begijnhoven zijn in onze contreien gedurende enkele eeuwen bijzonder geraffineerde collectieve woonmodellen tot ontwikkeling gekomen. Het ontstaan ervan is terug te brengen tot de versnelde verstedelijking in de 11de en 12de eeuw. In die periode zijn de kansen tot vrouwelijke zelfontplooiing zeer beperkt. Een vrouw die niet wil of kan huwen of geen plekje in de overvolle vrouwenkloosters kan vergaren, staat oog in oog met de dreiging van een maatschappelijk vacuüm. Net uit deze ondergeschikte positie ontwikkelt zich een geheel nieuw stedelijk samenlevingsverband als vroege vorm van sociale zekerheid.

Niet zelden gesponsord door grondschenkingen van lokale feodale heren gaan vrouwen zich in groep organiseren binnen een afgesloten territorium. Dit territorium bevindt zich oorspronkelijk op de goedkopere gronden net buiten de stadsomwalling. Los van geografische of andere factoren ontwikkelen zich verschillende architectonische basistypes. Zo kunnen het pleinbegijnhof, het stratenbegijnhof en het meer complexe ‘gemengde’ begijnhoftype van elkaar onderscheiden worden. Het eerste en meest bekende type dankt haar naam aan een centrale open ruimte, meestal met gras en bomen begroeid. Op het grasveld, dat aanvankelijk als bleekweide voor het linnen dient, prijkt de kerk of kapel als hoofdgebouw. Hierrond liggen de andere gebouwenrijen, die naast een ommurende functie ook een omsloten landschappelijk kader doen ontstaan. Het ommuurde begijnhof bestaat oorspronkelijk uit een combinatie van gemeenschappelijke faciliteiten en de begijnenhuizen. De huisjes bezitten in Vlaanderen private tuintjes, aan de voor- en/of achterzijde. Hier kan men zich als individu in alle rust terugtrekken en een moes- en kruidentuin onderhouden. Opmerkelijk is dat in de Nederlandse begijnhoven deze ommuurde tuintjes ontbreken.

 

Begijnhof OLV Ter Hoyen, Gent

 

Het grondgebied van het begijnhof vormt aanvankelijk gemeenschappelijk eigendom, onder beheer van een democratisch verkozen begijnhofbestuur. Wie lid wil worden van deze ‘common’ dient niet alleen een gezonde en vrome levenswandel te hebben, maar moet in de regel ook in staat zijn om in het eigen levensonderhoud te voorzien. Het begijnhofbeleid is er in tegenstelling tot de kloosters en de stedelijke godshuizen/hofjes immers op gericht de werkingskosten zo gering mogelijk te houden en te vermijden dat inwoonsters te snel ten laste zouden komen van het collectief. Hierdoor worden voornamelijk bemiddelde vrouwen aangetrokken, niet zelden uit de hogere sociale klasse. Deze bouwen of kopen soms hun eigen woning binnen het begijnhof, een privaat bezit waarmee ze een levenslang woonrecht verwerven. Dit model doet sterk denken aan de vandaag weer aan populariteit winnende Community Land Trust, waar woning en grond van elkaar gescheiden worden. Toch kunnen vaak ook minder kapitaalkrachtige kandidaat-begijnen of novices intreden. Zij komen terecht in zogenaamde conventen. Dat zijn grotere gemeenschapshuizen waar verschillende vrouwen samenwonen en op basis van een reglement een keuken en leefruimtes delen. Een soort van vroege cohousing dus.

 

Begijnhof van Antwerpen

 

De meeste begijnen houden zich bezig met het wassen en herstellen van kledij, bijvoorbeeld voor hospitalen buiten het hof. De bleekweide vormt dus niet alleen het ruimtelijk maar ook het economisch middelpunt van het begijnhof – een levensnoodzakelijk productielandschap. Tussen bepaalde daguren is het hof toegankelijk voor buitenstaanders zoals bezoekers, de pastoor, vaklui en handelaars. De begijnen zelf mogen voor arbeidsdoeleinden het hof verlaten, bijvoorbeeld om inkopen te doen voor het huishouden, om eigen gemaakte producten zoals textiel af te leveren, of ziekenzorg. Gedurende lange tijd genereren de begijnhoven op die manier een belangrijke bijdrage aan de stedelijke nijverheid.

Vanaf de 18de eeuw kennen de begijnhoven in Vlaanderen echter een onomkeerbare neergang. De economisch-culturele bloei en de relatieve algemene welvaart plaatsen het begijnenleven in een minder aantrekkelijk perspectief. Bovendien vormen deze commons in de hoofden van de Franse revolutionairen ‘blinde vlekken’ op de kadastrale kaart. Eerder waren overigens al spanningen ontstaan tussen de ambachten en de begijnhoven, in verband met taksen waaraan de begijnen niet en de ambachten wel onderworpen waren. Op de koop toe wordt vanuit een anti-klerikale politiek de zorg voor armen en hulpbehoevenden aan het privé-initiatief onttrokken en door de staat ingericht. Veel begijnhoven worden in die periode opgeheven, verkocht en/of omgetoverd tot ziekenhuizen onder overheidstoezicht. De meesten komen uiteindelijk in handen van één eigenaar.

Hoewel in Vlaanderen nog verschillende begijnhoven het tumult overleven en doorheen de 19de eeuw opnieuw bevolkt geraken, zou van echt herstel van de mystieke sfeer geen sprake meer zijn. Onder andere dankzij een vernieuwd monumentenzorgbeleid en subsidiesystemen hebben sinds de jaren 1970 verschillende begijnhoven gelukkig wel een boeiende doorstart gekend. En niet in het minst als hedendaags woonmilieu voor uiteenlopende bewonersgroepen, van cohousers over universiteitsstudenten en -personeel tot OCMW-cliënten.

 

Begijnhof van Brugge

 

Collectief beheer en eigenaarschap hebben in het begijnhof geenszins continuïteit gekend. Ooit waren het suburbane gated communities met strenge leefregels, vandaag zijn het vaak (gedeeltelijk) publiek beheerde groene stedelijke poches als aanvulling op de openbare ruimte van de stad. Morgen vormen ze misschien het kader voor weer een ander beheermodel. Het feit dat zijn architectonische configuratie aan de gebruikers de mogelijkheid biedt ‘het collectieve’ te kunnen afstoten of aantrekken wanneer nodig, maakt het begijnhof tot schoolvoorbeeld van een robuuste collectieve woningbouwtypologie.

Glenn Lyppens

13/12/2018

Foto’s Glenn Lyppens, Google Maps

Uw reactie

Your email address will not be published. Required fields are marked *