De geplande sloop en nieuwbouw van de tribune op De Motten in Tongeren vormt de aanleiding voor een bredere reflectie over hoe we vandaag omgaan met bestaande gebouwen en infrastructuur. Het debat rond de iconische tribune raakt immers aan een vraag die veel verder reikt dan deze ene plek: waarom blijft afbraak zo vaak het automatische vertrekpunt van vernieuwing?
Vanuit Architectuurwijzer willen we net die reflex in vraag stellen. Binnen het traject Goed Genoeg. Reflecties rond maximaal behoud onderzoeken we hoe verouderde gebouwen niet noodzakelijk een last, maar ook een kans kunnen zijn. Daarbij gaat het niet enkel over beschermd erfgoed of architecturale iconen, maar evenzeer over meer robuuste, alledaagse constructies die maatschappelijke betekenis, ruimtelijke kwaliteit en collectief geheugen in zich dragen.
De tribune op De Motten is daarvan een sprekend voorbeeld. Ze werd gebouwd in 1958 en zal weldra plaats moeten maken voor een sobere, generieke structuur met kleedkamers voor de atletiekbaan. Te vaak wordt het bestaande gezien als een probleem dat opgelost moet worden. Nochtans kunnen bestaande structuren net een grote rijkdom vertegenwoordigen: ruimtelijk, sociaal, historisch én ecologisch. De vraag is daarom niet alleen of de tribune nog voldoet aan hedendaagse normen, maar vooral welke kwaliteiten ze vandaag al bezit die een nieuwbouw niet kan vervangen.
De verborgen klimaatkost van afbraak
Vandaag is de bouwsector verantwoordelijk voor ongeveer 38% van de wereldwijde CO₂-uitstoot. In discussies over duurzaamheid ligt de focus vaak op het energieverbruik van gebouwen tijdens hun gebruiksfase, de zogenaamde operationele emissies. Een groot deel van de uitstoot zit echter vervat in de productie van materialen, het transport en de bouw zelf: de zogenaamde embodied carbon.
Wanneer een gebouw wordt gesloopt, gaat die reeds geïnvesteerde energie volledig verloren. Zelfs de meest energiezuinige of circulaire nieuwbouw veroorzaakt opnieuw een aanzienlijke uitstootpiek door de productie van beton, staal, glas en andere bouwmaterialen, evenals door transport en uitvoering. Vanuit ecologisch perspectief is de meest duurzame structuur daarom vaak degene die er al staat.
Meer dan erfgoed alleen
Het argument voor behoud wordt vaak herleid tot “erfgoedwaarde”. Alsof enkel officieel beschermde of esthetisch gewaardeerde gebouwen bestaansrecht hebben. Maar die benadering is te beperkt.
Doorheen de geschiedenis verdwenen talloze gebouwen omdat ze als banaal, verouderd of onvoldoende waardevol worden beschouwd. Vaak ging het om utilitaire infrastructuur of constructies uit minder geliefde periodes, zonder uitgesproken architecturale status. Toch dragen ook dergelijke plekken maatschappelijke, culturele en ruimtelijke betekenissen in zich. Gebouwen zijn dragers van herinneringen. Ze vertellen iets over hoe een samenleving leefde, samenkwam, werkte of ontspande. Ook een tribune maakt deel uit van dat collectieve geheugen.
Wat in het debat over De Motten opvalt, is een zekere paradox. Enerzijds wil men inzetten op ontmoeting, evenementen en publieke beleving in het park. Anderzijds dreigt net de structuur te verdwijnen die die collectieve ervaring vandaag mogelijk maakt. De bestaande tribune biedt immers kwaliteiten die elders in het park nauwelijks aanwezig zijn: beschutte zitplaatsen, overzicht op activiteiten, een verhoogd uitzichtpunt en een herkenbaar baken in het landschap. Het voorgestelde ontwerp voor kleedkamers lijkt hiervoor geen volwaardig alternatief te bieden. Daarmee verdwijnt niet alleen de fysieke structuur, maar ook een specifieke manier van gebruik en samenkomen.
Inspiratie uit binnen- en buitenland
Dat bestaande structuren niet noodzakelijk hoeven te verdwijnen om een plek opnieuw relevant te maken, tonen verschillende inspirerende transformatieprojecten aan.
De imposante industriële structuur van de kolenwasserij in Beringen werd niet weggegomd, maar gestript tot haar essentie. Juist die ruwe hoofdstructuur blijkt een grote ruimtelijke en emotionele kracht te bezitten. In de toekomst zal de site herbestemd worden tot een verticaal park onder de naam “be-NATURE”, waarbij planten en vegetatie door de bestaande industriële structuur groeien en het voormalige industrieel landschap transformeren tot een groen, gelaagd ecosysteem. Ook de schachtbokken van de mijnliften zijn een sterk voorbeeld: hoewel ze vandaag functieloos zijn, dragen ze een uitgesproken beeldkwaliteit die diep verankerd is in de identiteit van mijnsteden en hun bewoners.
Ook het voormalige Palais des Expositions in Charleroi, een modernistisch expo- en congresgebouw uit de jaren 1950, onderging geen klassieke restauratie. Architectenbureaus AJDVIV en AgwA kozen ervoor om delen van het gebouw selectief te verwijderen en de bestaande structuur open te werken. Binnenmuren en ramen verdwenen, waardoor beschutte buitenruimtes ontstonden voor markten en evenementen. Slechts een beperkt deel werd volledig gerenoveerd voor onder meer theaterzalen en kantoren. Door deze strategie werd het gebouw als het ware gereduceerd tot een ruwe, open “ruïne”, ingegeven door financiële en technische beperkingen om het volledig te isoleren en aan alle normen te laten voldoen. Het geslaagde resultaat wordt bovendien bekrachtigd door de toekenning van de Mies van der Rohe Award 2026, die de architecturale kracht van de transformatie onderstreept.

Een internationaal voorbeeld waar de kwaliteiten van een tribune sterk worden benut, is het olympisch zwembad Piscina Municipal de Montjuïc. Het zwembad, de gebouwen en de tribune functioneren er vandaag niet langer enkel als sportinfrastructuur, maar vooral als publieke verblijfsruimte. Bezoekers komen er zitten, genieten van het indrukwekkende uitzicht over Barcelona en ontmoeten elkaar boven op de tribune voor een drankje. Wat ooit pure sportstructuur was, groeide uit tot een sociale plek met een nieuwe betekenis, los van haar oorspronkelijke functie.
Terug naar de essentie?
Misschien ligt precies daar een interessante denkpiste voor De Motten. Misschien hoeft de tribune niet volledig gerestaureerd of opgepoetst te worden. Misschien schuilt haar toekomst net in een strategische reductie tot de essentie. Een open, robuuste basisstructuur zou de belangrijkste kwaliteiten kunnen behouden: overdekte zitplaatsen, een verhoogd uitzichtpunt, een herkenbare identiteit in het park en ruimte voor ontmoeting en evenementen.
Door gericht te ontmantelen in plaats van volledig af te breken, kan met beperkte ingrepen een veilige, nieuwe publieke plek ontstaan die zowel ecologisch als maatschappelijk betekenisvol is.
Hoofdbeeld Tijs Posen
Beeld in tekst Brent Vanheyst
